De smid, de koning en de hofman

De smid, de koning en de hofman


Geen sprookje.


Er was eens een land, lang, lang geleden. De mensen woonden er, en ze werkten er om te kunnen leven. De één verbouwde graan, de ander aardappelen, een derde maakte dakpannen. Of iets anders. Zo deed iedereen wat hij het beste kon.
Maar soms wilde de aardappelboer wel eens wat anders eten dan aardappelen. Altijd aardappelen werd maar saai. Dus ruilde hij dan een zak aardappelen voor graan. Om brood te maken. En andersom ruilde de graanboer soms een zak graan voor aardappelen.
Op een dag liep de aardappelboer met een zak piepers op zijn schouder naar de graanboer om een nieuwe voorraad in te slaan. Maar de graanboer zei: “Sorry hoor, maar ik stik zowat in de aardappelen, ik heb er echt geen meer nodig”.
Waarop de aardappelboer geschrokken zei: “Maar ik heb wel echt graan nodig!”
“Heb je dan niks anders dan, waar ik iets aan heb”? zei de graanboer.
De aardappelboer dacht na en zei:“Nou, misschien heb je iets aan wat stukjes goud, daar heb ik er wel een paar van”.
En zo werd de aardappelboer alsnog eigenaar van het graan.
De graanboer, op zijn beurt, ruilde de stukjes goud voor een stapeltje dakpannen om zijn dak te reparen na de laatste storm. En de dakpannenboer ruilde ze voor een nieuwe jas. En zo gingen de stukjes goud van hand tot hand.
Al snel begreep iedereen die wat goud had liggen, dat je het kon ruilen tegen wat je maar wilde. Het werd een soort van rage. En het duurde niet lang voordat iedereen goud wilde hebben. Zo ruilde de kleermaker maar al te graag zijn kleding voor goud, en ook de slager ruilde zijn vlees voor goud. En op hun beurt ruilden ze het goud weer voor datgene waar ze behoefte aan hadden, of zelfs maar zin in hadden. Goud gaf ze vrijheid. Vrijheid om te kiezen. Iedereen was blij.
In het zuiden van het land woonde een jongeman. Zijn vader was aardappelboer. Maar het boerenleven trok hem niet. Dat geploeter en gewroet in de klei. Niks voor hem.
Op een dag hoorde hij dat er in het noorden veel minder aardappelen groeiden dan in het zuiden, waar hij woonde. Daar in het noorden groeide voornamelijk graan. Maar de mensen in het noorden aten wel graag aardappelen. Hij hoorde dat de mensen daar wel twee stukjes goud over hadden voor een zak aardappelen. Terwijl een zak hier in het zuiden maar één stukje goud kostte.
Slim als hij was, kocht hij van zijn vader twee zakken aardappelen, samen voor twee stukjes goud. En hij reisde af naar het noorden. Daar verkocht hij de zakken voor samen vier stukjes goud. Toen hij in het noorden was, merkte hij dat daar een zak graan maar één stukje goud kostte, terwijl dat in het zuiden (waar voornamelijk aardappelen groeiden) twee stukjes opbracht. Dus ruilde hij zijn vier stukjes goud voor vier zakken graan en keerde terug naar het zuiden. Daar verkocht hij het graan voor twee stukjes per zak. Nu had hij dus 8 stukjes goud. Omdat hij met twee stukjes begonnen was, had hij dus zes stukjes gewonnen. Alleen maar door een keer op en neer te reizen. Zonder geploeter en gewroet in de klei. Dus reisde hij nog eens. En nog eens, en nog eens. Hij noemde zich nu ”handelaar”.
Maar na verloop van tijd werd de handelaar het voortdurend op en neer reizen een beetje moe. Bovendien begon de voorraad goud, die hij onder zijn matras verstopte, steeds verder te groeien. Iedere keer als hij op reis ging, werd hij banger dat iemand het in zijn afwezigheid zou stelen, en als hij thuis was lag hij niet lekker in zijn bed vanwege die bult onder het matras. Nadenkend over dit probleem kwam hij op een idee.


Hij had een buurjongen, een slungelig typ dat de hele dag weinig uitvrat maar wel graag goud uitgaf aan allerlei onzinnige dingen. Dus vroeg hij aan die buurjongen of hij misschien wat goud wilde verdienen. Nou, dat wilde hij wel. En hij stuurde die buurjongen op reis. Voor iedere reis betaalde hij hem een stukje goud. Omdat iedere reis zes stukjes opleverde, werd de handelaar per reis van de buurjongen 5 stukjes rijker. “Ik ben slim!” dacht de handelaar.
Al snel belden er allerlei jongens aan bij de handelaar. Of ze ook voor hem mochten reizen. Ook zij wilden wel wat goud verdienen. En binnen de kortste keren had de handelaar een hele groep jongens en soms ook meisjes voor hem werken. En zijn berg goud groeide. Maar ook zijn angst dat het gestolen zou worden evenals zijn rugpijn van het slapen op die bult goud.
Ook nu kreeg de handelaar een idee. Daar was hij altijd al goed in geweest. De volgende ochtend stond hij vroeg op en liep naar de smid. Hij legde het probleem uit en vroeg aan de smid: “Kun je voor mij een kast maken die niemand open kan maken, behalve ik, en die te zwaar is om mee te nemen”?
“Natuurlijk, zei de smid. “Maar waarom zou ik? Ik heb zo’n kast hier al staan. Die heb ik gemaakt voor de burgemeester. Voor allerlei belangrijke papieren. Documenten en zo. Ik heb er geen verstand van, maar de burgemeester vindt ze nogal belangrijk, heb ik begrepen. Je kunt je goud er, wat mij betreft, zo bijleggen. Dan komt niemand er meer aan”.
De handelaar vond het een uitstekend idee. Zo was zijn goud veilig en de bult onder zijn matras verdwenen zodat hij eindelijk weer eens lekker kon slapen, in beide betekenissen van het woord. Hij ging naar huis, haalde al zijn goud op (wel duizend stukken) en gaf ze in bewaring aan de smid. De smid schreef een brief waarin hij plechtig verklaarde dat de handelaar duizend stukken goud tegoed had.


Korte tijd later besloot de handelaar dat het tijd werd voor een nieuwe jas. Een mooie jas en een dure jas. Hij bezat nu veel goud en dat mochten de andere mensen best zien. Dus liep hij naar de smid om tien stukken goud op te halen. De smid gaf hem de tien stukken, verscheurde de plechtige brief waarop stond dat de handelaar duizend stukken goud tegoed had en schreef een nieuwe waarop stond dat hij negenhonderdnegentig stukken tegoed had. En zo ging dat door. Iedere keer kwam de handelaar wat goud halen of brengen en iedere keer schreef de smid een nieuwe brief. Bovendien kwamen er steeds meer mensen die hun goud in bewaring gaven aan de smid. En het schrijven van brieven nam steeds meer tijd in beslag.
De smid, die de beroerdste niet was en het goud als vriendendienst in bewaring nam, vond dat hij een gemakkelijkere manier moest verzinnen. Al dat geschrijf kostte hem teveel tijd. En hij kwam op een idee. Als ik nou eens losse tegoedbonnen maak. Voor ieder stukje goud een tegoedbonnetje. Dan geef ik voor ieder gebracht stukje goud een bonnetje en voor ieder gehaald stukje goud vraag ik het tegoedbonnetje terug. Dan hoef ik niet meer te schrijven. En zo schreef hij net zoveel tegoedbonnen als hij goudstukken in zijn kluis had. En als de handelaar weer wat goud verdiend had en het inleverde, gaf de smid hem net zoveel tegoedbonnen als het aantal goudstukken dat de handelaar bracht, en als de handelaar een andere jas wilde, of wat dan ook, ging hij naar de smid en ruilde hij een stapeltje tegoedbonnen tegen een stapeltje goudstukjes, en betaalde daarmee zijn nieuwe jas, of wat dan ook.


Op een dag ging de handelaar op pad om wijn te kopen voor zijn verjaardagsfeest. Hij zocht bij de wijnboer een vat prima wijn uit en vroeg hoeveel hij ervoor wilde hebben. “Tien goudstukken”, zei de wijnboer. “Dat is goed”, zei de handelaar die niet op een kleintje hoefde te kijken. “Ik ga meteen naar de smid om tien goudstukken te halen”.
“Ach, zei de wijnboer, laat maar. Geef mij maar gewoon tien tegoedbonnen. Dan ga ik zelf wel naar de smid als ik volgende week in het dorp ben, en dan haal ik het wel op. Dat scheelt weer een keer lopen”. Een goed idee, vond de handelaar.
Maar de wijnboer bracht de tegoedbonnen niet naar de smid. Diezelfde dag moest de wijnboer naar de slager, om vlees te kopen. Hij kocht voor 5 goudstukken vlees, en zei te slager: “Hier heb je vijf tegoedbonnen. Ga zelf maar naar de smid om ze op te halen”. En hij ging naar de bakker om brood te kopen. Daar deed hij hetzelfde. En de slager en de bakker deden ook weer hetzelfde bij de melkboer en de kolenboer.
En zo kwamen er steeds minder mensen bij de smid om goud op te halen. Mensen betaalden elkaar gewoon met tegoedbonnen, die in de volksmond al snel “bonnen” werden genoemd.
Op een dag ging de smid voor zijn wekelijkse klaverjasavond naar het plaatselijke café. Eén van zijn klaverjasvrienden was een graanboer. Het weer was dat jaar nogal onstuimig geweest en de boer had zijn hele oogst in het water zien vallen. Hij klaagde steen en been. Hoe moesten hij en zijn gezin in godsnaam de winter doorkomen?


De smid had met zijn vriend te doen. En hij kreeg een idee. Hij zei: “Ik heb een heleboel goud in mijn kluis liggen. Vrijwel al het goud van het land, behalve het goud van de koning. Al dat goud is niet van mij, maar de eigenaren komen het toch nooit ophalen. Bijna iedereen betaalt elkaar met bonnen, dus dat goud ligt er maar. Ik kan je wel wat goud geven. Voldoende om de winter door te komen. Maar nogmaals: dat goud is niet van mij, dus je moet het wel teruggeven als je oogst volgend jaar weer normaal is”! De graanboer sprong een gat in de lucht, bedankte de smid duizendmaal, beloofde met zijn hand op zijn hart dat hij het volgend jaar zou teruggeven en rende uitzinnig van blijdschap naar huis om het goede nieuws aan vrouw en kinderen te melden. De smid was tevreden dat hij met zo’n klein gebaar iemand zo blij kon maken.
Maar binnen de kortste keren stonden er tientallen boeren op zijn stoep bij wie de oogst ook mislukt was. Die ook allemaal dringend behoefte hadden aan wat goud om de winter door te komen. De smid krabde zich achter zijn oor. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Voor een vriend wilde hij dat best doen, maar voor lui die hij helemaal niet kende…. Dus zei hij: “Goed. Jullie kunnen allemaal wat goud hebben, maar ten eerste moet ik het volgend jaar allemaal terughebben, want het is mijn goud niet. En bovendien wil ik een vergoeding hebben. Ik ben tenslotte gekke henkie niet. Voor iedere tien goudstukken wil ik een vergoeding van één goudstuk per jaar”.
En de boeren riepen in koor: “Geen probleem, als we onze families maar te eten kunnen geven. Volgend jaar krijg je alles terug, inclusief je vergoeding”!


Zo gezegd, zo gedaan. En hij gaf de boeren de goudstukken die ze nodig hadden. Maar de boeren leverden het goud direct weer in bij de smid voor bonnen. “Niemand accepteert tegenwoordig nog goudstukken. Iedereen wil bonnen”! riepen ze. Dus schreef de smid nieuwe bonnen uit.
Toch maakte de smid zich een beetje zorgen. Er waren nu meer bonnen in omloop dan hij goudstukken in zijn kluis had. Maar hij wuifde zijn zorgen snel weer weg. Hij zou de bonnen volgend jaar weer allemaal terugkrijgen en zo zou er geen haan naar kraaien. Bovendien zou hij volgend jaar de vergoedingen incasseren, en dat was ook wel eens lekker. Hij mocht best wel eens een beetje profiteren van alle hulp die hij gaf, en buiten de paar bonnen die hij zelf verdiende met het maken van hoefijzers en tuinhekken, eens een extraatje hebben.


En de boeren werkten dat jaar harder dan ooit. En de meeste boeren kwamen hun verplichting keurig na. Ze ruilden hun nieuwe oogst voor bonnen en gaven terug aan de smid wat die gegeven had. En natuurlijk de vergoeding. Dus kreeg de smid nu ook zelf steeds meer bonnen in zijn bezit, vanwege die vergoeding. En er bleven maar boeren komen die geholpen wilden worden. En iedere keer gaf de smid de benodigde bonnen en kreeg het volgende jaar voor iedere tien bonnen die hij uitleende, elf bonnen terug.


Maar de hoeveelheid goud in de kluis van de smid bleef hetzelfde. Hij begon zich langzaamaan meer zorgen te maken. Hij had nu al twee keer zoveel bonnen uitgeschreven als er goudstukken in zijn kluis waren. En alleen al vanwege de vergoeding, moesten er elk jaar tien extra bonnen worden teruggegeven voor elke honderd die hij had uitgeschreven. Waar moesten die vandaan komen? Hij was tenslotte de enige die bonnen kon uitschrijven. Maar de hoeveelheid goud bleef hetzelfde. Maar hij troostte zich met de gedachte dat toch nooit iemand zijn goud kwam ophalen. En als iemand dat toch eens zou doen, dan zouden ze het toch zeker niet allemaal tegelijk doen. En zo kwamen er steeds meer bonnen in omloop.
En de mensen raakten gewend aan de bonnen. Sprongen ze vroeger een gat in de lucht als ze een goudstuk zagen, nu waren de bonnen zo gewoon en overal aanwezig dat het enthousiasme langzaamaan minder werd. Wilde de aardappelboer vroeger voor een zak piepers één goudstuk, nu wilde hij al twee bonnen. En hetzelfde gold voor de graanboer, en de slager, de bakker en de dakpannenmaker. Voor iedereen. Het werd voor iedereen steeds moeilijker om eten te kopen, en ook nog de vergoeding te betalen aan de smid. Dus stonden er weer meer mensen op de stoep bij de smid voor nog meer bonnen. En de smid had op een gegeven moment niet alleen al het goud van het land in zijn kluis, maar ook de meeste bonnen van iedereen. Het wordt tijd dat ik er eens iets leuks mee ga doen, dacht hij. En hij liet een huis bouwen en stopte met het maken van hoefijzers en tuinhekken.


In het land was ook een koning. De koning bezat een hele berg goud. Hij had dat goud gestolen van de boeren. Toen hij jong was ging hij met zijn vader, die ook koning was, op strooptocht langs de boeren om hun goud te stelen, precies zoals zijn vader dat gedaan had toen hij jong was, met zijn vader, de opa van de huidige koning. De koning was onmetelijk rijk.
De koning had zijn goud opgeslagen in zijn schatkist, en liet deze bewaken door een paar potige kerels. Als vergoeding gaf hij ze soms een goudstuk. Op een dag begonnen de potige kerels te klagen. De koning riep ze bij zich en vroeg wat er aan de hand was. De potige kerels zeiden dat ze geen goudstukken meer wilden hebben.
“Wat is er mis met goudstukken”?! riep de koning.
“Met alle respect, zei één van de potige kerels, maar u bent niet meer helemaal van deze tijd. Niemand wil meer goudstukken. Iedereen wil bonnen”.
“Bonnen? zei de koning, ik heb helemaal geen bonnen”!
En de mannen legden uit dat hij goud naar de smid moest brengen in ruil voor bonnen.
Korte tijd later werd de smid op het paleis ontboden.
“Leg mij eens uit hoe dat zit met die bonnen!” riep de koning bars. En de smid legde het uit. En de koning luisterde geboeid. En aan het eind van het verhaal zei de koning: “Doe mij maar een stapel van die bonnen. Hoeveel goud moet je hebben”?
“Ik heb een beter idee, zei de smid. Waarom ruilt u niet gewoon al uw goud tegen bonnen? Niemand accepteert nog goud en bovendien hebt u dan al die potige kerels niet meer nodig om uw schatkist te bewaken”!


“Verdomd! riep de koning. Jij bent een man naar mijn hart”. En hij gaf al zijn goud aan de smid en de smid schreef de bonnen. En zo kwamen er nog meer bonnen in omloop.
Maar de bonnen leken steeds minder waard te worden. Vroeger kocht je voor twee bonnen een hele zak aardappelen. Nu kostte diezelfde zak al acht bonnen. Het volk moest steeds harder werken om eten te kopen en om de vergoeding te kunnen betalen aan de smid. En ook de koning zag zijn voorraad bonnen al snel slinken. Dus riep hij de smid weer bij zich.
“Ja, luister eens, zei de smid, daar heb ik allemaal geen tijd voor hoor! Kom jij (want waarom zou hij nog “u” zeggen) maar naar mij”!


En dus kwam de koning uit zijn paleis en ging naar de smid.
“Mijn bonnen raken op en bovendien worden ze steeds minder waard,” klaagde de koning.
“Dat is jouw probleem, zei de smid. Jij wilde bonnen”!
“Maar hoe kan ik nou koning zijn zonder rijkdom? De mensen zullen me niet meer serieus nemen”!
“Dat is óók jouw probleem, zei de smid. Maar jij kon toch zo goed goud stelen, vroeger? En jij had vroeger toch een paar potige kerels in dienst? Ik heb gehoord dat die dringend om een baantje verlegen zitten”!
Dus verzon de koning een plan. En de volgende dag schreef hij een wet. En hij liet de nieuwe wet op alle hoeken van alle straten spijkeren:


Voortaan moet iedereen van iedere tien bonnen die hij verdient, één bon afstaan aan de koning. Deze maatregel heet: “Contributie”.
En het volk was niet blij. De mensen hadden het al zo moeilijk. De bonnen werden als maar minder waard en ze moesten ook al vergoeding betalen aan de smid. En er leken altijd minder bonnen te zijn dan ze moesten terugbetalen, inclusief de vergoeding. En nou dit weer!
Sommige mensen kwamen in opstand, maar de potige kerels sloegen de opstandelingen in elkaar en de mensen bogen hun hoofd en gingen nog harder werken.
Maar de Contributie werd al snel twee bonnen op tien. En toen drie. En toen vier. Het volk werd steeds onrustiger en op een dag trok een grote groep naar het paleis om beklag te doen. “Wij pikken het niet langer”! riepen ze.


En de koning kwam op het bordes en zei: “Ho ho, jullie denken toch niet dat ik die bonnen inpik?! Jullie wilden toch een brug, over de rivier? Ik ga die bonnen gebruiken om jullie wensen in te willigen. Wacht maar af. Jullie zullen me dankbaar zijn! En bovendien: als jullie je niet koest houden stuur ik een leger potige kerels op je af en dan zul je wel anders piepen”!
Dus het volk droop af. En de koning liet een brug bouwen. Maar het volk was niet tevreden. Sommige mensen wilden helemaal geen brug, maar een weg. Anderen hadden liever een ziekenhuis en sommige meer lichtzinnige inwoners hadden liever een circus. Het bleef maar gezeur, vond de koning. En dus riep hij tien van zijn vrienden bijeen. Hij zei tegen die vrienden: “Jullie hebben allemaal andere ideeën over wat er in dit land moet gebeuren. Wat ik doe is toch nooit goed, volgens de mensen, dus laat ze maar kiezen wie van jullie volgens hen de beste ideeën heeft. Dan mag degene die gekozen wordt zijn plannen uitvoeren en dan ben ik van het gezeur af. ”
En zo ging het. Het volk werd opgetrommeld. De tien kandidaten werden voorgesteld en ze mochten allemaal ombeurten vertellen wat hun plannen waren. En het volk koos, en de meeste stemmen golden en één van de tien kandidaten kreeg de titel “Hofman”; omdat hij een man was, en omdat hij zou gaan werken in het gebouw dat speciaal daarvoor in het hof van de koning gebouwd was. Binnen in het hof. Maar “Binnenhofman” was zo’n mond vol.
En natuurlijk omdat hij de meeste stemmen kreeg.


De hofman ging direct aan de slag om zijn plannen uit te voeren. En soms was het volk het met de uitvoering eens, maar vaak ook niet. En iedere keer als de mensen weer begonnen te morren dan riep de koning tegen het volk: “Jullie moeten niet bij mij zijn! Het is jullie eigen schuld! JULLIE hebben toch gekozen”!?
Maar ook de koning werd niet vrolijker. Ondanks alle inkomsten uit de contributie, slonk zijn rijkdom. Hij moest nu betalen voor alle bruggen, wegen, ziekenhuizen en alle andere zaken die de hofman verzon. En hij moest de hofman zelf betalen. Die kon er natuurlijk niet als een arme sloeber bijlopen. In zo iemand zou het volk al snel geen vertrouwen meer hebben. Dus streek de hofman een riante vergoeding op, die de koning moest betalen. En bovendien werden de bonnen van de koning steeds minder waard waardoor hij steeds meer bonnen kwijt was aan de vergoeding voor de hofman, maar vooral aan het uitvoeren van al diens plannen. Dus zei hij tegen zijn hofman: “Verhoog de contributie”! En de hofman deed dat. En het volk morde nog meer, maar nu binnensmonds want het kon niet anders dan bekennen dat het inderdaad in alle vrijheid had gekozen voor de hofman. En de mensen gingen nog harder werken om de contributie te kunnen betalen, en de vergoeding aan de smid en – als dat nog lukte – om eten te kopen. Maar ze voelden zich wel vrij. Of eigenlijk voelden ze zich helemaal niet vrij. Ze zeiden alleen tegen zichzelf: “We zijn vrij, want we kunnen kiezen”. Maar het voelde niet vrij, en ze wisten niet waarom.


En ondanks die steeds hogere contributie-inkomsten kwam op een dag de bodem van de schatkist van de koning in zicht. En voor een tweede keer reisde de koning af naar de smid. Aangekomen bij het nieuwe huis van de smid, moest de koning vol verbazing vaststellen dat het huis van de smid nog wel groter leek dan zijn eigen paleis, en minstens zo luxueus. De koning moest nogal lang wachten in de grote hal voordat de smid eindelijk even tijd voor hem had, en tijdens het wachten keek hij zijn ogen uit naar al het marmer, kristal en goud. Vooral veel goud.
Toen de smid uiteindelijk vanuit zijn werkkamer “binnen!” riep, en de koning inderdaad naar binnen ging, zag hij nog meer marmer, kristal en goud. Vooral erg veel goud.
En de koning vroeg: “Hoe kom jij aan zoveel goud?”


De smid antwoordde:”Heel eenvoudig. Ik had al het goud van het land in mijn kluis”.
“Maar dat goud is toch niet van jou!?” riep de koning verontwaardigd.
“Nu wel, zei de smid. “De mensen moeten mij nog zoveel bonnen terugbetalen en nog zoveel vergoeding, dat ik nog veel meer van ze tegoed heb dan alleen dat zielige hoopje goud”!
Het begon de koning een beetje te duizelen. Hij dacht even na, kwam tot zijn positieven en vroeg: “Is dat wel eerlijk”?
“Natuurlijk is dat eerlijk!!” schreeuwde de smid. “IK kwam toch niet zeuren om bonnen? Dat deden ze zelf! Wat kan IK daaraan doen? Als ze me niet terugbetalen, dan is het goud van mij. Simpel. En zelfs als ik ze daarvoor waarschuw, in al mijn goedheid, en ze betalen me, dan heb ik nog steeds veel tegoed, want ze betalen nooit alles terug, alleen kleine beetjes elke keer. Je moest eens weten hoeveel ik nog tegoed heb! Rotvolk is het! Je hebt er niks aan. Je maakt een simpele afspraak met ze, en ze komen hem niet na. En dan gaan ze lopen zeuren als ik wat van het goud neem, ter compensatie van mijn verlies. Omdat ze hun eigen afspraken niet nakomen! Het is een onbetrouwbaar zootje. Dat is het!” en hij zakte achterover in zijn luxueuze fauteuil.
“Maar waar kom je voor”? bromde hij. “Ik heb niet veel tijd”.
De koning slikte een paar keer en zei: “Ik heb een probleem. De bodem van mijn schatkist komt in zicht. En wat ik ook doe, hoeveel contributie ik ook vraag, mijn rijkdom wordt steeds minder. Sterker nog: mijn rijkdom is zowat verdwenen”.
“En wat heb ik daarmee te schaften?” zei de smid.
“Nou, eh, ik dacht eh, misschien kun je me helpen.” zei de koning.
“Nee nou wordt ie fraai”!! brieste de smid. “Ik jou helpen!? Ik heb alleen maar last van jou! Met je contributie! Door dat gegraai van jou, gaan de mensen mij alleen maar nog slechter terugbetalen! Weet je wel hoeveel ik nog tegoed heb van dat rapaille? Door jou zit ik in die problemen! Rot eens gauw op zeg!”


En de koning droop af. Maar de volgende dag werd er een bericht bezorgd op het paleis. Of de koning onmiddellijk naar de smid wilde komen. En als hij niet wilde, dan moest hij ook onmiddellijk komen.
Aangekomen bij het mooie huis belde de koning aan en de smid deed zelf open. “Kom binnen waarde vriend”, zei de smid. “kom binnen”. En enigszins verbaasd over het contrast met het gedrag van de smid van de vorige dag, stapte de koning over de drempel.
“Neem een sigaar” zei de smid, en nam er zelf ook een. “Ik heb er eens over nagedacht, en zoals altijd kwam ik met een geniaal plan. Moet je horen: Ik stel jou alle bonnen beschikbaar die je hebben wil. Jij kunt weer gewoon koning zijn, en rijk, en van die dingen allemaal. Je hoeft me niets terug te betalen, behalve de vergoeding dan, maar wat is dat nou helemaal? Maar één bon per jaar op elke tien of vijftig of zo bonnen die ik je beschikbaar stel, dat varieert dus, maar dat is aan mij, dus daarover geen gezeur”.


Het hart van de koning sloeg over en hij stamelde: “Wuwuwat? Zomaar?”
“Ja, zomaar”! riep de smid. “Alleen, je moet me helpen met één ding. Je moet me helpen met dat stomme volk van je. Hoe jij dat uithoudt met die idioten is mij een raadsel, maar goed, ieder zijn vak zal ik maar zeggen. Dus dat moet voor jou een makkie zijn, met die potige kerels van je en zo, en dat hoftype of hoe je die gast ook noemt, wat kan mij het verdommen. Ik heb daar allemaal geen tijd voor. Maar goed, ik begin onderhand te begrijpen dat ze me nooit meer alles gaan terugbetalen wat ik van ze tegoed heb. Maar ik ben gekke henkie niet! Dat heb ik al lang geleden geleerd! Dus ik laat ze niet over mijn rug een beetje doen wat ze willen, god bewaar me, dus ik zat te denken, als ze nou eens voor mij zouden gaan werken, in plaats van mijn bonnen terug te betalen. En de vergoeding niet te vergeten! Ik stik toch al zowat in die achterlijke bonnen. Wat moet ik ermee? Tellen? Ik heb wel wat beters te doen! Nee, dan heb ik veel liever dat ze wat zinnigs doen. Ik heb dringend van alles nodig, dus dat kunnen ze mooi voor me maken allemaal en zo, en van die dingen. Nou zou je misschien zeggen: waarom heb ik jou dan nodig? Nou simpel: ik heb geen zin in gezeur. Ik heb al genoeg aan mijn kop. Leer mij dat gepeupel kennen. Echt afschuwelijk! En jij bent goed met die types. Ik bedoel: het is tenslotte je vak om die idioten een beetje in het gareel te houden. Dus het is eigenlijk heel simpel: ik zeg wat ze moeten doen, en jij zorgt ervoor dat ze het ook daadwerkelijk doen. En jij hebt alle bonnen die je nodig hebt. Begrepen? Capiche? Briljant gewoon, al zeg ik het zelf. Hoe noemen ze zoiets ook alweer? Een win-win situatie geloof ik, of zoiets. Ach, wat kan mij het ook verdommen”.
De koning knikte.
“Mooi zo! Opzouten dan”! zei de smid. En de koning draaide zich om en wilde gaan.
“Wacht even”! riep de smid, “Nog één ding. Ik wil wel dat je me precies gaat vertellen hoe je het gaat aanpakken. Ik verwacht voor het eind van de week je plan. En zorg dat het goed is, want anders kun je fluiten naar je bonnen”.
En de koning droop af.


Na een slapeloze nacht riep de koning de hofman bij zich.
“Hofman”, zei hij “hoe kunnen we het volk laten doen wat wij willen”?
En de hofman zei: “Wat willen we dan dat ze doen”?
“Dat is mijn zorg”! riep de koning. “En dat vraag ik je niet! Ik vraag je HOE we ze kunnen laten doen wat wij willen. WAT wij willen bepaal ik wel.”
“Okay”, zei de hofman, die tenslotte een man van de wereld was. ”Wat altijd werkt is bang maken”.
“Bang maken? Bang waarvoor?”


“Dat is het mooie” zei de hofman, “dat maakt niet uit”!
“Jonge jonge, jij met je idiote raadsels altijd! Praat toch eens een keer normaal man! Ik heb spijt dat ik ooit aan je begonnen ben. Wat nou, maakt niet uit? Ik kan ze overal wel bang voor maken. Ik ben de koning, weet je nog? Bang voor die idioten uit dat andere land, hoe heten ze ook alweer, of voor regen of onweer of droogte of overstroming. Zelfs voor hun eigen gewoonten kan ik ze bang maken. Ik kan ze bang maken voor alles dat ik wil. Ik ben de koning, ja! Maar wat heb IK daaraan?”
“Nou, simpel” zei de hofman, “als je ze bang maakt, wáár dan ook voor, dan komen ze bij jou voor een oplossing”, en hij zette zijn slimste blik op.
“En dan?” zei de koning, die duidelijk meer verstand had van goud stelen dan van politiek. Vroeger tenminste.


“Dan gééf je ze die oplossing”!! riep de hofman triomfantelijk.
“IK? Oplossingen geven? Volgens mij ben jij echt helemaal simpel geworden! Oplossingen geven zegt hij. Alsof ik daar tijd voor heb! Tjongejonge….. En stel, dan gééf ik een oplossing, wat dan!?”
“Dat is nou net het mooie!” zei de hofman, “de oplossing is ALTIJD dat ze precies moeten doen wat jij zegt! Dus dat ze niet meer bang hoeven zijn als ze precies doen wat jij zegt! En dan doen ze niet meer wat ze zelf willen. Maar dan doen ze wat jij wil! En als jij zegt dat ze hun bonnen aan je moeten overhandigen, om ze te beschermen tegen wat dan ook, dan doen ze dat ook! En dan hebben ze nog minder bonnen en dus moeten ze dan nog harder werken – voor jou! – om te kunnen eten en zo! ”
De koning leunde achterover, krabde op zijn achterhoofd, en nog eens.
“Dus…. als ik het goed begrijp: ik maak ze eerst bang voor een probleem dat ik zelf verzin. En dan komen ze om een oplossing vragen. En de oplossing is altijd dat ze gaan doen wat ik zeg….”, murmelde de koning voor zich uit.
“Verdomd”! riep de koning, “jij bent een man naar mijn hart”!
De volgende dag, dus ruim voor het einde van de week, gingen de koning en de hofman naar de smid en legden het plan uit.
“Briljant!” riep de smid. “Ik had het zelf kunnen verzinnen. Maar dan beter, uiteraard. Maar goed, we gaan het ermee doen.”
“Prima,” zei de hofman, “Zeg maar wat de mensen moeten doen, en dan zorgen wij ervoor”.
“Ik wil dat ze voor mij gaan werken”, zei de smid, “Maar niet echt voor mij, maar eigenlijk juist weer wel”.


De koning en de hofman keken elkaar verbaasd aan.
“Ze moeten natuurlijk precies doen wat ik zeg, dat sowieso, maar ik wil niet dat ze weten dat ze doen wat ze doen omdat ik het zeg. Ze moeten niet het gevoel hebben dat ze voor mij werken. Als er dan iets is komen ze bij mij zeuren en ik heb al genoeg gezeur aan mijn hoofd. Nee, ze moeten denken dat ze werken omdat ze dat zelf willen!”“Hoe wil je dat doen?” zei de hofman die er zo intelligent mogelijk bij keek maar duidelijk geen idee had.
“Kennen jullie mij nou nog niet!?” riep de smid, “gewoon, door een geniaal plan, net als altijd! Luister: de mensen willen bonnen. Daar doen ze alles voor. Nou heb ik een paar kennissen en die hebben fabrieken waar van alles gemaakt wordt. Allemaal zinnige dingen, zeker als ik het voor het zeggen heb. En dat heb ik, want die kennissen moeten mij nog ik-weet-niet-hoeveel bonnen terugbetalen. Dus het plan is dit: die kennissen laten de mensen in hun fabrieken werken. Om te maken wat ik wil. En daar krijgen die mensen bonnen voor. En vervolgens pakken jullie de meeste bonnen van die mensen af. En die geef je aan mij. Ik heb tenslotte inmiddels ik-weet-niet-hoeveel vergoeding van je tegoed. Dus dan denken ze dat ze werken om bonnen te krijgen, en dat ze werken voor een fabriek, maar eigenlijk werken ze voor mij. Maar dan zonder het gezeur. Zo zie je: voor plannen moet je bij mij zijn, ik schud ze zo uit mijn mouw.”
“En als ze er nou achter komen?” zei de hofman.
“Daar komen ze niet achter” zei de smid, “want voortaan laten jullie elke dag, in iedere straat, een omroeper vertellen wat er in het land gebeurt. Niet echt natuurlijk, maar wat wij willen dat de mensen denken dat er gebeurt. Dus de omroeper moet zeggen dat werken in de fabriek goed is, en fijn. En iedere dag moet de omroeper er ook bijzeggen dat de mensen vrij zijn. Dat is heel belangrijk, anders gaan ze zeuren. En na een tijdje gelooft iedereen dat. Als je het maar vaak genoeg zegt. En zelfs al heeft een of andere slimmerik het door, dan zullen de mensen hem eerder uitlachen dan hem geloven. De omroeper heeft immers altijd gezegd dat ze vrij zijn!”
“Dus aan de slag jullie! En bovendien, schiet me nu te binnen, kunnen jullie die omroeper ook mooi gebruiken voor jullie plan om de mensen bang te maken, zodat ze zich een beetje gedragen zoals wij willen. Of zoals ik wil, eigenlijk. Wat is dat toch mooi: samenwerken! Zeker als ik alles bepaal. Dus waar wachten jullie op? Aan het werk!”


En samen met de hofman ging de koning aan het werk. En de mensen werden bang gemaakt voor de gekste dingen. En ze werden bang! En ze vroegen om oplossingen en de koning en de hofman gaven oplossingen. En de mensen deden precies wat de koning en de hofman – maar eigenlijk de smid – wilden. En ze gingen werken in de fabrieken, en ze kregen bonnen. En ze gaven de meeste bonnen aan de koning, omdat ze bang waren en omdat de omroeper zei dat het nodig was. En de koning gaf ze aan de smid. En de mensen gingen steeds harder werken. Precies zoals de hofman had voorspeld.
Van tijd tot tijd gingen de koning of de hofman, of allebei, naar de smid voor overleg. En de smid was tevreden. En hoewel de hoeveelheid vergoeding die de koning aan de smid moest betalen gestaag opliep, was de koning ook niet ontevreden. Hij voelde zich weer een echte koning.
De smid werd als maar rijker en rijker, en de koning werd maar langzaam een beetje armer. Maar dat had hij zelf niet in de gaten, want de smid stelde hem altijd bonnen ter beschikking. Zelfs de bonnen die de koning nodig had om vergoeding aan de smid te betalen.


Op een dag zei de smid tegen de koning: “Je doet het leuk. Maar we hebben nu zowat alle mensen voor ons aan het werk die we voor ons aan het werk kunnen krijgen. Dat bevalt me wel. Maar er zijn er ook nog een heleboel die doen wat ze zelf willen! Dat zijn die lui die steeds gewoon hun bonnen terugbetalen, inclusief vergoeding. Hoe ze het doen weet ik niet. Ze zullen zich kapot moeten werken – ik moet er niet aan denken – maar goed, ze doen het. Op zich is dat natuurlijk wel aardig, maar wat heb ik er eraan? Ik heb gemerkt dat het veel prettiger is als ze doen wat ik wil, dan dat ze mij die bonnen terugbetalen. Ik stik in die dingen. Anders zou ik ze jou niet geven. En bovendien, als ze steeds maar doen wat ze zelf willen, dan kunnen ze nog wel eens lastig worden. Bij alles wat ik doe moet ik daarmee rekening houden. Dat wordt mij onderhand een beetje te vermoeiend. Dus ik heb weer eens een geniaal plan, zoals gewoonlijk”.


“Vertel”! zei de koning.
“Nou, ik dacht zo” zei de smid, “als we er nou eens voor zorgen dat die braveriken hun bonnen en hun vergoeding niet meer kunnen betalen. Dan moeten ze ook doen wat wij willen en dan vormen ze ook geen gevaar meer voor ons”.
“Hoe wil je dat doen?” zei de koning. “Als ze keurig betalen, dan kun je niks doen”.
“Simpel” zei de smid, “de meeste mensen heb ik bonnen gegeven omdat ze een huis wilden kopen. Daarvoor hebben ze altijd meer bonnen nodig dan ze hebben, en dus komen ze dan naar mij. Of naar mijn concurrenten. Want ja, ik heb inmiddels wat concurrentie gekregen. Of nou ja, concurrentie kun je het eigenlijk niet noemen, maar er zijn hier en daar mensen die ook wat in bonnen handelen. Daar zijn ze bedrijfjes in begonnen. Ze kunnen natuurlijk zelf geen bonnen uitschrijven, dat kan alleen ik, maar toch, ze hebben wat bonnen in bewaring en die geven ze aan mensen die daarom vragen en die moeten ze terugbetalen met vergoeding. Dus een beetje concurrentie is het. En eigenlijk zit me dat ook niet helemaal lekker”, zei de smid en nam een slok van zijn buitenlandse prikwijn die er duur uitzag en duur smaakte..
”Maar goed”, zei de smid, “Nou staan er ook steeds van die sloebers op de stoep die een huis willen kopen maar waarvan je op een kilometer afstand kunt zien dat ze het niet kunnen betalen. Tot nu toe heb ik er de hond op afgestuurd. En ik heb erop toegezien dat die concurrenten ook geen bonnen geven aan die lui. Ik moet niks hebben van dat geteisem. Maar ik dacht: als ik dat uitschot nou toch eens bonnen geef, wat dan? Dan gaan ze die niet terugbetalen. Ze kunnen niet eens de vergoeding betalen! Dus dan moeten jullie ze uit hun huizen schoppen”!
“Maar dan ben jij je bonnen toch kwijt?” zei de hofman.
“Dat lijkt maar zo”, zei de smid “dat huis moet dan worden verkocht en daar zorgen jullie voor. Natuurlijk brengt het dan veel minder op dan wat ze ervoor betaald hebben, dus moeten die lui mij nog een hele berg bonnen terugbetalen, ook al hebben ze geen huis meer. Zoveel bonnen dat ze de rest van hun leven voor mij moeten werken, om mij terug te betalen!” zei de smid met een brede grijns op zijn gezicht.


“Maar als de mensen dan in de gaten krijgen dat je bonnen aan armoedzaaiers geeft, dan denken de mensen dat jij dom bent, en dan verliezen ze hun vertrouwen in de bonnen die jij uitgeeft”, zei de hofman, die er duidelijk over nagedacht had.
“Inderdaad, maar nou komt het mooie: ik dacht dus: als ik die concurrenten nou eens die bonnen aan de armoedzaaiers laat geven. Tot nu toe mochten ze dat van mij niet. Maar als ik nou eens mijn toezicht wat laat verslappen. En jullie moedigen ze een beetje aan. Dan gaan ze vanzelf meer risico nemen. Want dan denken ze dat ze flink veel vergoeding zullen vangen, zeker als je zorgt dat ze iedere keer als ze zo’n sloeber in de val gelokt hebben een flinke bonus krijgen. Dan zijn ze niet te houden! En dan gaat het vanzelf mis. En dan geven we die bedrijfjes de schuld. En dan zeggen jullie: Dat is slecht voor het land! En dan nemen jullie die bedrijfjes in beslag. En dan geven jullie ze aan mij.”
“Wauw”, zei de hofman, vol ontzag. De koning was de draad allang kwijt en stond zich weer eens aan zijn kop te krabben.
“We zijn er nog niet”! riep de smid. “Omdat al die luizige types uit hun huizen geschopt worden, die dus eigenlijk dan mijn huizen zijn, moeten al die huizen worden verkocht. En omdat er dan veel meer huizen te koop staan dan er kopers zijn, worden die huizen steeds minder waard. Daar schrikken mensen van en dus gaan ze de die paar bonnen die ze overhouden van het werken in de fabriek voorlopig niet uitgeven. Die bewaren ze, omdat ze bang zijn. Dus dan kan diezelfde fabriek minder spullen verkopen, en dus kan die fabriek minder spullen maken, en dus kunnen er minder mensen werken. En als ze niet werken krijgen ze geen bonnen!” De smid keek verwachtingsvol in de ogen van de hofman.


“Verdomd,” zei de hofman, die het begon te begrijpen, “en als ze geen bonnen hebben, dan kunnen ze hun vergoeding niet betalen, en als ze geen vergoeding betalen, dan worden ze ook hun huizen uitgeschopt, net als de arme sloebers. En dat worden dan natuurlijk ook jouw huizen.”
“Precies!!” kraaide de smid. “En dan hebben ze ook geen huis meer, maar moeten ze mij nog wel een hele berg bonnen teruggeven! En vergoeding natuurlijk. Dus dan moeten ze de rest van hun leven ook doen wat wij zeggen! Of meer specifiek: wat IK zeg!”
“Wonderbaarlijk” stamelde de hofman. “Maar waar moeten al die mensen dan wonen?”
“Het leven is zo eenvoudig!!” jubelde de smid, “ik koop al die huizen voor bijna niks, want niemand kan ze meer betalen en dus wil niemand ze hebben en dus kosten ze bijna niks. En dan laat ik de mensen er wonen. Daarvoor moeten ze mij natuurlijk wel bonnen betalen. Naast de bonnen die ze me nog moeten teruggeven. En de vergoeding daarvoor natuurlijk”!
De hofman trok bleek weg.
“Het zal allemaal wel” zei de koning, “ik snap er niks meer van, maar ik laat het graag aan jullie over. Zolang ik maar koning ben.”


En zo gebeurde het dat bijna alle mensen uit hun huizen geschopt werden, en dat ze de rest van hun leven moesten werken voor de smid. En de mensen hoefden niet meer bang gemaakt te worden om ze te laten doen wat de smid wilde. Want dat moesten ze toch wel. En er was ook geen omroeper meer nodig om de mensen te laten denken dat ze vrij waren. Want dat ze niet vrij waren, wisten ze nu zelf ook wel. Het enige dat ze nog moesten doen was werken voor de smid en vooral precies doen wat de smid zei. En de smid kon eindelijk uitrusten. En de hofman kwam in dienst van de smid en zijn enige taak was het om de mensen in bedwang te houden, en er werd nooit meer een nieuwe hofman gekozen. Als de smid er zin in had, gooide hij de ene hofman eruit en nam hij een andere van zijn keuze.
En de koning zat voortaan altijd binnen in zijn paleis. En ook hij moest precies dan wat de smid zei. Net als alle mensen. En net als alle mensen huilde de koning elke nacht.


En ze leefden nog lang en ongelukkig.

Bron en lees meer: Pieter Stuurman, op
http://www.anarchiel.com/display/de_smid_de_koning_en_de_hofman

Dit bericht werd geplaatst in Banking, Boeken. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s